Goed schrijven is meer dan grammaticaal correcte zinnen. Het is weten wat je lezer wil, waar hij op afhaakt en wat hem overtuigt om door te lezen. In deze categorie vind je blogs over LinkedIn, schrijftips, recruitment, opinie, de psychologie achter lezen en schrijven, en hoe je gevonden wordt met je teksten. Praktisch, direct en zonder overbodige fratsen.
Snel antwoord: Feiten en cijfers overtuigen je lezer niet als eerste, een herkenbaar gevoel of situatie doet dat. Storytelling in tekst betekent: schets eerst het moment of het gevoel, en laat de feiten daarna volgen als onderbouwing.
Je hebt vast weleens een tekst geschreven die feitelijk klopt, goed onderbouwd is, en toch niemand lijkt te raken. Niet omdat de inhoud slecht is. Omdat feiten alleen zelden de reden zijn waarom iemand iets onthoudt of ergens actie op onderneemt. Storytelling in tekst lost dat op, en het is minder zweverig dan het klinkt.
Waarom onthoud ik een verhaal wel, en een feit niet?
Je brein slaat informatie niet op zoals een dossierkast, netjes op alfabet. Het slaat vooral op wat een gevoel oproept: herkenning, spanning, opluchting. Een kaal feit heeft daar weinig aan vast te knopen, en verdwijnt daardoor sneller.
Een verhaal of situatie werkt anders. Zodra je lezer zich iets kan voorstellen, een moment herkent of een emotie voelt, ontstaat er een soort haakje in het brein. Het feit dat je daarna vertelt, hangt aan dat haakje vast, en blijft daardoor makkelijker zitten.
Neurowetenschappers van McGill University hebben zelfs laten zien dat de manier waarop je een verhaal vertelt bepaalt welke hersennetwerken je lezer gebruikt om het te onthouden, en dat mensen verhalen met gevoel en betekenis (in plaats van kale, feitelijke details) prettiger vinden om te onthouden.
Dat is ook precies waarom cijfers in een rapport zelden beklijven, terwijl één goed voorbeeld daarna nog weken wordt aangehaald. Niet omdat het voorbeeld belangrijker is dan de cijfers, maar omdat het brein het voorbeeld nu eenmaal beter vasthoudt.
Wat gebeurt er als je met feiten begint?
Een herkenbaar scenario: je wilt uitleggen waarom een goede planning je klant tijd en geld bespaart. Je begint met: “Uit onderzoek blijkt dat slechte planning gemiddeld 15 procent van de beschikbare tijd verspilt.” Feitelijk klopt het, maar je lezer voelt er weinig bij. Het is een getal over een anonieme groep mensen, niet over hem.
Vergelijk dat met deze opening: “Je hebt vast weleens om vier uur ’s middags gemerkt dat de helft van je takenlijst nog openstaat, terwijl je de hele dag druk bent geweest.” Dat is geen feit, het is een herkenbaar moment. Je lezer voelt de lichte paniek van die vier uur al voordat je één cijfer hebt genoemd. Vertel je daarna dat slechte planning gemiddeld 15 procent van de tijd kost, dan landt dat cijfer in een context die al leeft, in plaats van in het luchtledige.
Het probleem zit dus niet in de feiten zelf. Het probleem is de volgorde: feiten die vooropstaan, missen een haakje om aan vast te blijven zitten. Let wel: een herkenbaar moment is geen aanloopje vóór de kern, het ís de kern, alleen verpakt als situatie in plaats van als cijfer. Je lezer moet zich in die eerste zin al herkennen, precies zoals bij elke andere directe opening.
Hoe pas je storytelling in tekst toe, zonder zweverig te worden?
Begin met het moment, niet met het cijfer. Vraag jezelf af: wanneer merkt mijn lezer dit probleem zelf, in zijn eigen dag? Beschrijf dat moment concreet, met details die herkenbaar zijn (het tijdstip, de plek, het gevoel), voordat je de onderbouwing erbij haalt.
Dat is geen kwestie van bloemrijk of zweverig schrijven. Het gaat om precisie: een concreet, herkenbaar moment schetsen kost vaak niet meer woorden dan een droog feit, het staat alleen in een andere volgorde. Je vervangt het cijfer niet, je geeft het een plek om te landen.
Let er wel op dat het moment klopt met je eigen lezer. Een voorbeeld dat voor jou herkenbaar is, hoeft dat voor je doelgroep niet te zijn. Dit raakt trouwens ook aan het vinden van de juiste lezersvraag: een goed gekozen moment is vaak niets anders dan de situatie waarin die vraag bij je lezer opkomt.
Genoeg gelezen? Pak een tekst waarin je een feit of cijfer noemt, en check: staat er vóór dat feit al een moment dat je lezer herkent, of begint je tekst meteen met het getal?
Veelgestelde vragen
Betekent dit dat feiten en cijfers niet belangrijk zijn?
Nee, ze blijven belangrijk voor onderbouwing en geloofwaardigheid. Het gaat om de volgorde: laat eerst het gevoel of het moment landen, en gebruik het feit daarna om dat te bevestigen.
Werkt dit ook bij heel technische of cijfermatige content, zoals een jaarverslag?
Ja, al vraagt dat soms om een kleiner, subtieler moment dan bij een blog. Zelfs een enkele herkenbare zin vooraf (“herken je dat je aan het einde van het kwartaal nog steeds moet puzzelen met de cijfers?”) kan al genoeg zijn om een lezer een haakje te geven voordat de tabellen volgen.
Hoe vind ik een moment dat bij mijn lezer past?
Denk aan het gesprek dat je met een klant had vlak voordat hij besloot met je in zee te gaan. Wat zei hij op dat moment letterlijk over zijn situatie? Dat is vaak al het moment dat je zoekt.
Is dit hetzelfde als schrijven vanuit lezersvragen?
Verwant, maar niet hetzelfde. Schrijven vanuit lezersvragen bepaalt welke vraag je beantwoordt. Storytelling in tekst bepaalt hoe je die vraag inleidt: met een herkenbaar moment, voordat de feitelijke onderbouwing volgt.
Is dit niet in strijd met het advies om de kern bovenaan te zetten?
Nee, het is een andere verpakking van hetzelfde principe. Kern bovenaan betekent: laat je lezer meteen voelen dat de tekst over hem gaat, zonder omwegen. Een herkenbaar moment doet dat net zo goed als een blote conclusie, vaak zelfs beter, want de lezer herkent zichzelf al in de eerste zin. Wat niet kan, is een lange aanloop die pas na een paar alinea’s duidelijk maakt waar de tekst over gaat. Het moment zelf moet dus net zo direct en herkenbaar zijn als een kort, feitelijk antwoord dat zou zijn.
Snel antwoord: Veel vakinhoudelijke teksten zijn geschreven vanuit wat jij weet en kunt, niet vanuit de vraag die in het hoofd van je lezer speelt. Wil je dat je tekst blijft hangen? Begin dan bij die vraag, niet bij je eigen verhaal.
Je kent je vak door en door. Dat is precies het probleem. Want hoe meer je weet, hoe groter de kans dat je schrijft vanuit alles wat jij interessant vindt aan je expertise, in plaats van vanuit wat je lezer eigenlijk wil weten.
Waarom schrijf ik toch steeds vanuit mezelf?
Het is een menselijke valkuil, geen slordigheid. Als expert zit je vakkennis zo diep in je systeem, dat je bijna automatisch vertelt hoe je tot iets komt: je opleiding, je jarenlange ervaring, de nuances die jij zo boeiend vindt. Dat voelt logisch, het is tenslotte je vak.
Maar je lezer is niet op zoek naar jouw verhaal. Hij is op zoek naar het antwoord op zijn eigen vraag. Kan deze persoon mij helpen? Snapt zij mijn situatie? Is dit voor mij? Zolang je tekst daar niet snel antwoord op geeft, blijft je lezer zoeken, ook al staat er verderop in je tekst misschien precies het antwoord dat hij nodig heeft.
Blijft die vraag onbeantwoord, dan gebeurt er iets vervelends: je lezer voelt zich niet gezien. Niet omdat je tekst onvriendelijk is, maar omdat hij nergens leest “ik snap jouw situatie”. Dat gevoel van niet gezien worden maakt een lezer onzeker, en een onzekere lezer haakt vaker af voordat hij het antwoord vindt dat verderop misschien wel op hem wacht.
Welke vraag stelt jouw lezer nu eigenlijk?
Dit vraagt om een klein perspectiefwisseling. In plaats van te beginnen met “wat wil ik vertellen”, begin je met “welke vraag brengt iemand naar deze pagina”. Dat klinkt simpel, maar de meeste teksten zijn niet op die vraag gebouwd.
Een paar voorbeelden van hoe dat werkt. Bij een dienstenpagina is de vraag zelden “wat houdt deze dienst precies in”, maar vaker “kan dit mijn probleem oplossen, en hoe snel”. Bij een instructieve of adviserende blog, zoals dit blog, is de vraag niet “wat vindt de schrijver hiervan”, maar “wat moet ik hiermee, concreet” (bij een verhalend of merkopbouwend blog ligt dat overigens iets genuanceerder, daar mag de vraag ook gewoon “vermaak of herken mij” zijn). En bij een “over mij”-pagina is de vraag bijna nooit “wat heeft deze persoon gestudeerd”, maar altijd “is dit iemand die mij kan helpen, en bij wie ik me prettig voel”.
Zodra je die achterliggende vraag helder hebt, wordt schrijven ineens een stuk makkelijker. Je hoeft niet meer te bedenken wat je allemaal kwijt wilt. Je hoeft alleen nog maar antwoord te geven.
Waar gaat dit vaak mis?
Een herkenbaar voorbeeld: mijn eigen “over mij”-pagina opende met mijn studie en carrièrepad. Pas halverwege stond de zin die er eigenlijk toe deed: “Herken je jezelf daarin?” Precies dat is de vraag van mijn lezer: is dit iemand voor mij? Maar die stond verstopt onder alinea’s over rechten, MER en mijn tijd bij Voor Tekst. Een scannende bezoeker (en die heb je, zoals we al schreven over de kern bovenaan zetten) was daar allang overheen gescand voordat hij bij het antwoord kwam.
Herken je dit bij jezelf? Kijk dan eens kritisch naar je eigen “over mij”-pagina: welke zin beantwoordt daar eigenlijk de vraag “is dit iemand voor mij”, en op welke regel staat die?
Hetzelfde patroon zie je op dienstenpagina’s. Daar begint de tekst vaak met de naam van de dienst en een opsomming van wat die allemaal inhoudt, terwijl de lezer maar één ding wil weten: lost dit mijn probleem op, en wat kost me dat. Staat die vraag pas na drie alinea’s uitleg over je werkwijze, dan ben je de lezer al kwijt voordat hij bij de kern komt.
In beide gevallen weet je allang genoeg om de vraag te beantwoorden. Wat ontbreekt, is dat je die kennis pas laat volgen ná het antwoord, in plaats van ervoor.
Hoe schrijf je wél vanuit de vraag van je lezer?
Begin met de vraag zelf hardop te formuleren, voordat je één zin schrijft. Niet “wat wil ik over mezelf vertellen”, maar “welke twijfel of vraag heeft iemand als hij op deze pagina komt”. Schrijf die vraag letterlijk op een blaadje, boven je concept.
Beantwoord die vraag vervolgens in de eerste twee, drie zinnen van je tekst. Pas daarna mag de achtergrond, de nuance en het bewijs volgen: je opleiding, je ervaring, je aanpak. Dat bewijs is niet overbodig, het onderbouwt alleen het antwoord dat je net al gaf, in plaats van dat het antwoord moet vervangen.
Merk je tijdens het schrijven dat je toch weer begint bij jezelf, bij “ik heb”, “ik ben” of “mijn aanpak”? Dan is dat het teken om even te stoppen en de vraag van je lezer er weer bij te pakken. Niet om je verhaal te schrappen, maar om te bepalen waar het in je tekst hoort te staan: bij het antwoord, of pas erna.
Genoeg gelezen? Pak je eigen “over mij”-pagina, dienstenpagina of laatste blog erbij, en stel jezelf deze drie vragen. Welke vraag stelt mijn lezer zich op het moment dat hij deze tekst opent? Op welke regel geef ik daar antwoord op? En staat dat antwoord al in de eerste twee, drie zinnen, of moet mijn lezer daar eerst voor zoeken?
Veelgestelde vragen
Betekent dit dat mijn eigen verhaal er niet meer toe doet?
Nee, je verhaal blijft belangrijk voor vertrouwen en herkenning. Het gaat om de volgorde: zet eerst het antwoord op de vraag van je lezer neer, laat je verhaal daarna het bewijs leveren.
Hoe weet ik welke vraag mijn lezer precies stelt?
Kijk naar wat klanten je in gesprekken en offertetrajecten al vragen, en naar de twijfels die ze uitspreken voordat ze besluiten met je te werken. Die twijfel is meestal de vraag die je tekst moet beantwoorden. Een tool als AnswerThePublic kan daarbij helpen: die laat zien welke vragen mensen rond een zoekterm daadwerkelijk stellen, als aanvulling op wat je zelf al uit klantgesprekken weet.
Werkt dit ook voor technische of vakinhoudelijke content, waar juist veel uitleg nodig is?
Ja. Ook daar begin je met de vraag (bijvoorbeeld: werkt deze aanpak voor mijn situatie), en volgt de technische onderbouwing pas na een kort, helder antwoord.
Is dit hetzelfde als de kern bovenaan zetten?
Verwant, maar niet hetzelfde. De kern bovenaan gaat over de opening van je tekst, ongeacht het onderwerp. Schrijven vanuit lezersvragen gaat een stap dieper: het bepaalt welke vraag die opening precies moet beantwoorden.
Wat is de eerste stap om vanuit lezersvragen te schrijven?
Formuleer voordat je gaat schrijven de vraag van je lezer letterlijk in een zin, bijvoorbeeld “kan deze contentschrijver/ sales goeroe / business coach mij helpen”. Schrijf daarna eerst het antwoord op die vraag op, en bouw pas daarna de rest van je tekst eromheen.
Werkt dit ook voor technische of vakinhoudelijke content, waar juist veel uitleg nodig is? Ja. Ook daar begin je met de vraag (bijvoorbeeld: werkt deze aanpak voor mijn situatie), en volgt de technische onderbouwing pas na een kort, helder antwoord.
Is dit hetzelfde als de kern bovenaan zetten? Verwant, maar niet hetzelfde. De kern bovenaan gaat over de opening van je tekst, ongeacht het onderwerp. Schrijven vanuit lezersvragen gaat een stap dieper: het bepaalt welke vraag die opening precies moet beantwoorden.
Wat is de eerste stap om vanuit lezersvragen te schrijven? Formuleer voordat je gaat schrijven de vraag van je lezer letterlijk in een zin, bijvoorbeeld “kan deze contentschrijver mij helpen”. Schrijf daarna eerst het antwoord op die vraag op, en bouw pas daarna de rest van je tekst eromheen.
Snel antwoord: Je lezer scant, hij leest niet. Dat is geen luiheid, dat is hoe zijn brein werkt. Hij vliegt over je tekst en blijft alleen hangen als hij meteen ziet wat hij zoekt. Zet daarom de kern van je verhaal bovenaan. Pas daarna volgt de rest.
Je hebt er vast weleens van gebaald: een blog waar je uren in stak, met precies de juiste nuance en alle achtergrond die je klant nodig heeft. Trots klik je ‘m live. En dan zie je in Analytics dat mensen na twintig seconden alweer weg zijn. Niet omdat je tekst slecht is. Omdat je lezer hem nooit echt gelezen heeft.
We schreven al eerder over de 7 seconden die je hebt om een lezer vast te houden, en waarom scannen voor je brein een kwestie van overleven is, niet van luiheid. In dit blog ga ik een stap verder: hoe pas je dat concreet toe op de opening van je tekst, per kanaal waar jij dagelijks mee werkt?
Wat gebeurt er in het brein van je lezer?
Kort samengevat: ons brein is voortdurend aan het filteren. Van alle prikkels die binnenkomen, moet het razendsnel bepalen wat belangrijk is en wat genegeerd kan worden. Lezen kost daarbij relatief veel energie, dus het brein zoekt naar de snelste route naar de informatie die het nodig heeft.
Zolang die route niet duidelijk is, blijft de lezer op zijn hoede. Onrustig, een beetje wantrouwend zelfs. Pas als hij vindt wat hij zoekt, ontspant hij. En een ontspannen lezer leest verder, neemt meer op en onthoudt meer van wat je te vertellen hebt.
De Amerikaanse marketeer Seth Godin legt dit graag uit met een beeld: lezers zijn als nerveuze aapjes die maar één ding willen, en dat willen ze nu. Krijgen ze niet snel genoeg waar ze voor kwamen, dan haken ze af. Terug naar Google, bijvoorbeeld.
Dat betekent dus: hoe sneller jij laat zien wat je lezer hier komt halen, hoe groter de kans dat hij blijft. Niet omdat hij dom is of geen tijd heeft. Omdat zijn brein zo werkt.
Waar loopt het mis in jouw teksten?
Herkenbaar voorbeeld één: de offerte-mail. Je begint met een vriendelijke opening, een stukje over het weer of het fijne gesprek van vorige week, gevolgd door twee alinea’s uitleg over je werkwijze. Pas onderaan staat het bedrag en de vraag of je opdrachtgever akkoord gaat. Die opdrachtgever scant naar het enige dat er echt toe doet: wat kost het en wat moet ik doen. Vindt hij dat niet snel, dan legt hij de mail opzij. Voorgoed, vaak.
Voorbeeld twee: de LinkedIn-post. Je begint met een anekdote om nieuwsgierigheid te wekken, helemaal volgens het boekje. Maar pas in de vierde regel wordt duidelijk waar de post eigenlijk over gaat. LinkedIn toont standaard maar twee tot drie regels voordat iemand op “meer weergeven” moet klikken, dus je anekdote wordt letterlijk afgekapt voordat de kern in beeld komt. De meeste lezers klikken die klik niet. Ze hebben de eerste twee zinnen gezien, geen aanknopingspunt gevonden, en scrollen door.
Voorbeeld drie: de nieuwsbrief. Je opent met “Wat hebben we een mooie maand achter de rug”, gevolgd door een terugblik. Leuk om te schrijven, maar je lezer wil weten wat dit voor hém betekent. Staat die informatie pas halverwege, dan heb je hem al verloren voordat hij er is aangekomen.
In alle drie de gevallen is er niets mis met de inhoud. Het probleem zit in de volgorde. De belangrijkste informatie staat verstopt, terwijl de lezer allang is afgehaakt voordat hij daar komt.
Hoe zet je de kern bovenaan?
Vraag jezelf bij elke tekst af: wat komt mijn lezer hier doen of halen? Dat antwoord is de kern van je verhaal. En die zet je bovenaan, in de eerste zin als het even kan.
Voor de offerte-mail betekent dat: begin met het bedrag en de vraag om akkoord, en bewaar de toelichting voor daarna. Voor de LinkedIn-post: maak in de eerste regel al duidelijk waar de post over gaat, ook als je met een anekdote opent. Voor de nieuwsbrief: open met wat relevant is voor de lezer, niet met wat relevant is voor jou.
Dat vraagt om een klein stukje discipline. Je moet soms een leuke opening laten staan tot de tweede alinea, of een nuance pas later toevoegen. Maar het resultaat is een lezer die blijft, in plaats van een lezer die na twee zinnen alweer terug is bij Google.
Denk dus niet alleen na over wát je wilt vertellen, maar vooral over de volgorde. Zet de kern bovenaan. De rest van je verhaal krijgt daarna vanzelf de aandacht die het verdient.
Genoeg gelezen? Tijd om je eigen laatste blog, mail of post erbij te pakken en te checken: staat jouw kernboodschap bovenaan, of moet je lezer er eerst naar zoeken?
Veelgestelde vragen
Is scannend lezen hetzelfde als slordig of oppervlakkig lezen?
Nee. Scannen is de manier waarop vrijwel iedereen een nieuwe online tekst voor het eerst benadert, ongeacht intelligentie of interesse. Pas als de eerste scan iets relevants oplevert, schakelt een lezer over naar echt lezen.
Werkt dit ook voor langere, vakinhoudelijke content?
Ja, en juist daar is het extra belangrijk. Hoe complexer of langer je tekst, hoe sneller een lezer wil weten of het de moeite waard is om door te lezen. Een heldere opening werkt dan als bewijs dat de rest ook de moeite waard is.
Betekent dit dat ik geen pakkende anekdote meer mag gebruiken als opening?
Zeker wel, zolang je lezer binnen de eerste paar zinnen ook snapt waar het heen gaat. Een anekdote mag de opening zijn, als de kern er meteen achteraan komt.
Hoe pas ik dit toe als ik meerdere doelgroepen in één tekst aanspreek?
Kies per tekst welke lezer op dat moment het zwaarst weegt, en laat die keuze leidend zijn voor je opening. Probeer je iedereen tegelijk te bedienen bovenaan, dan verwatert je opening en verlies je juist iedereen.
Je scrolt door je feed. Ergens tussen een foto van iemands lunch en een video van een dansende kat zie je een bericht over de verkiezingen. Je leest het. Je knikt. Of je schudt je hoofd. En je scrolt verder. Maar de kans is groot dat je net gemanipuleerd bent, zonder dat je het doorhad.
Over een maand gaan we stemmen. De campagnes draaien op volle toeren. En de strijd is niet alleen inhoudelijk. Het is ook een taalstrijd. Politici aan beide kanten van het spectrum gebruiken woorden als gereedschap. Soms zelfs als wapens. Maar hier is het pijnlijke: het werkt. Niet omdat we dom zijn. Maar omdat ons brein gemaakt is voor snelle oordelen en groepsdenken. En daar wordt gretig op ingespeeld. Ik laat je zien hoe dat precies werkt. En waarom het zo gevaarlijk is.
De psychologie van stempeltjes zetten
“Elite.” “Gewone mensen.” “Woke.” “Populist.” Zie je wat hier gebeurt? Deze woorden zijn geen neutrale beschrijvingen meer. Ze zijn geladen. Ze vertellen je niet alleen wat iemand is, maar ook of je die persoon moet vertrouwen of wantrouwen. En hier speelt iets fundamenteels: je brein houdt van categorieën. Evolutionair gezien handig. Vriend of vijand? Gevaar of veilig? Snelle oordelen hielden ons in leven. Maar politici misbruiken dit mechanisme.
Links noemt rechts “gevaarlijk populistisch”, “neofascisten”, “neoliberalen” of “klimaatontkenners”. Rechts noemt links “linkse elite”, “deugers”, “woke” of “klimaatdrammers”. Beide kanten doen hetzelfde: ze plakken een etiket op hun tegenstander. Een etiket dat niet meer vraagt om nuance. En dan gebeurt er iets in je hoofd. Psychologen noemen het categorisch denken. Zodra iemand in een hokje zit, stop je met luisteren. Je brein heeft besloten: deze persoon hoort bij “hen”, niet bij “ons”. Het probleem? Niemand is één ding. Jij bent geen etiket. Ik ook niet. We zijn complex. Tegenstrijdig soms. Genuanceerd. Maar propaganda wil je dat laten vergeten. Want hokjes zijn makkelijk. Individuen zijn lastig.
De kunst van framing: hetzelfde feit, andere wereld
Hier een voorbeeld. Twee manieren om hetzelfde te zeggen. Versie 1: “80% van de patiënten overleeft deze operatie.” Versie 2: “20% van de patiënten sterft tijdens deze operatie.” Exact dezelfde informatie. Maar je reactie? Totaal anders. Dit heet framing. En het is een van de krachtigste wapens in propaganda. Want framing bepaalt niet welke feiten je krijgt, maar hoe je die feiten interpreteert. Het geeft een lens waardoor je naar de werkelijkheid kijkt. En die lens kleurt alles wat je ziet.
Een politiek voorbeeld. Rechts zegt: “We moeten onze grenzen beschermen tegen illegale immigratie.” Links zegt: “We moeten vluchtelingen helpen die op zoek zijn naar veiligheid.” Beide zinnen gaan over hetzelfde onderwerp. Maar het frame is tegengesteld. Het ene benadrukt bescherming en illegaliteit. Het andere benadrukt hulp en veiligheid. Geen van beiden liegt. Maar beiden sturen je gedachten op subtiele en effectieve wijze. Je brein pikt het frame op en vult de rest zelf in, op basis van wat je al gelooft.
Waarom werkt dit? Omdat je brein houdt van verhalen. Van oorzaak en gevolg. Van helden en schurken. Framing geeft je zo’n verhaal, klaar voor gebruik. Je hoeft alleen nog maar te geloven. En dat doen we. Vooral als het frame past bij wat we al denken. Psychologen noemen dit confirmation bias – de neiging om informatie te zoeken die onze bestaande overtuigingen bevestigt. Het frame activeert die bias. En voor je het weet, ben je overtuigd. Niet door logica. Maar door een slim gekozen perspectief.
Angst verkoopt: je reptielenbrein als doelwit
Propaganda werkt het beste met één ingrediënt: angst. “Ze komen jouw waarden vernietigen.” “Ze pikken jouw baan in.” “Ze maken jouw toekomst onveilig.” Let op dat woordje: jouw. Dat is geen toeval. Door het persoonlijk te maken, voelt het urgenter, dreigender en echter. En hier gebeurt iets in je brein dat je moet begrijpen om propaganda te doorzien.
Je hebt drie informatieverwerkingssystemen. Het snelle, emotionele systeem – je amygdala, het reptielenbrein. Het langzame, rationele systeem – je prefrontale cortex, het denkbrein. En je automatische piloot – je basale ganglia. Propaganda richt zich bewust op systeem één: je reptielenbrein. Want dat is snel. En angst schakelt je rationele denken grotendeels uit. Evolutionair gezien handig: als er een leeuw op je af komt, moet je rennen, niet nadenken. Maar in politiek wordt dit mechanisme misbruikt. Er is geen leeuw. Maar je brein reageert alsof die er wel is.
Een voorbeeld uit campagnes die je regelmatig ziet: “Straks kan jouw dochter niet meer veilig over straat.” Deze zin raakt me. Persoonlijk. Ik ben moeder van twee dochters. De jongste is net op kamers gaan wonen. En die angst? Die herken ik. Ik ben er zelf mee opgevoed. Net als mijn vriendinnen. Net als de meeste vrouwen die ik ken. “Let op in het donker.” “Loop niet alleen door dat park.” “Bel me als je thuiskomt.” Het zit erin gebakken. Een systeem van alertheid dat je van kinds af aan meekrijgt.
En terecht. Want ondanks alle voorzichtigheid hebben we allemaal wel eens iets meegemaakt. Een hand waar die niet hoort. Een achtervolger tijdens wandeling naar huis. Een situatie waarin je voelde: dit gaat niet goed als ik niet opletter. We worden niet geregeerd door angst. Maar de realiteit is er wel. Daarom steun ik ook acties zoals Wij eisen de nacht op. Want vrouwen móeten gewoon veilig over straat kunnen. Altijd. Overal.
Maar hier is het cynische: politici gebruiken precies die angst. Die zin – “straks kan jouw dochter niet meer veilig over straat” – doet meerdere dingen tegelijk. Het is persoonlijk (“jouw dochter”), toekomstgericht (“straks”), vaag (“niet meer veilig”) en emotioneel beladen (beschermingsinstinct). Je brein reageert met angst, woede en urgentie. Je rationele systeem probeert nog te vragen: wacht, waar is dit op gebaseerd? Maar je emotionele systeem heeft al gewonnen. En dan komt de oplossing: “Maar wíj beschermen je.” “Wíj staan aan jouw kant.”
Zie je het patroon? Eerst angst zaaien, dan jezelf presenteren als redder. Het probleem is niet dat de angst onterecht is. Die angst bestaat echt. Maar hij wordt gebruikt en geïnstrumentaliseerd, zonder dat er concrete oplossingen komen. Want “beschermen” klinkt goed. Maar wat betekent het? Meer camera’s? Langere straffen? Meer agenten? Of investeren in de oorzaken van onveiligheid? Dat wordt niet gezegd. Dat hoeft ook niet. Want de angst is al getriggerd. En dat is genoeg. Dit trucje is zo oud als de politiek zelf. Het werkte in het oude Rome. Het werkte in de Koude Oorlog. En het werkt nog steeds, omdat je reptielenbrein niet geëvolueerd is sinds toen.
De geschiedenis herhaalt zich: van Goebbels tot algoritmes
Propaganda is geen modern fenomeen. Maar de middelen zijn wel veranderd. En met elk nieuw medium werden de technieken verfijnder, effectiever en gevaarlijker.
Jaren ’30: de geboorte van moderne propaganda. Joseph Goebbels, Hitlers minister van propaganda, formuleerde principes die vandaag nog steeds worden gebruikt. Herhaal een leugen vaak genoeg, en mensen gaan het geloven. Gebruik emotie, geen ratio. Vereenvoudig complexe zaken tot zwart-wit. Creëer een gemeenschappelijke vijand. Klinkt bekend? Dat zou het moeten. Want deze principes zie je terug in elke moderne politieke campagne, links én rechts. De methoden zijn niet veranderd, maar de middelen zijn geavanceerder geworden.
Jaren ’50-’80: massamedia. Radio en televisie brachten propaganda direct je huiskamer in. Politici leerden spreken in soundbites en simpele slogans die bleven hangen. Het publiek had weinig alternatieven. Je keek naar de drie zenders die er waren. Je las de krant die in je regio bezorgd werd. De informatiestromen waren controleerbaar. En wie die controle had, had macht.
En toen kwam 2010 en alles veranderde opnieuw. De algoritme-revolutie. Sociale media. Niet omdat propaganda zelf anders werd. Maar omdat de schaal explosief groeide en omdat het gepersonaliseerd werd. Nu krijg jij propaganda te zien die specifiek op jou is afgestemd, op basis van je leeftijd, je woonplaats, je interesses, je angsten. Een voorbeeld: ben je ondernemer in de Randstad? Dan zie je advertenties over hoge belastingen en bureaucratie. Woon je in een krimpregio? Dan zie je boodschappen over vergeten buitengebieden en stadscentrisme. Dezelfde partij. Verschillende boodschappen. Voor verschillende doelgroepen. Micro-targeting heet dat. En het is verschrikkelijk effectief. Goebbels kon daar alleen nog maar van dromen.
De echoput: hoe algoritmes polarisatie versterken
En hier wordt het echt gevaarlijk. Je Facebook-feed, je Instagram, je TikTok – ze laten je niet willekeurig content zien. Ze tonen wat je engageert. Waar je op klikt. Waar je naar kijkt. Waar je reageert. En het gevolg? Je ziet vooral content die je bevestigt in wat je al denkt. Psychologen noemen dit confirmation bias. Je zoekt bewijs voor je eigen gelijk. En het algoritme levert het graag. Want een tevreden gebruiker is een gebruiker die langer blijft scrollen. En langer scrollen betekent meer advertentie-inkomsten.
Links ziet vooral linkse content. Rechts ziet vooral rechtse content. En beide kampen denken: “Zie je wel, iedereen denkt er zo over.” Maar dat klopt niet. Je ziet niet de werkelijkheid. Je ziet een gefilterde versie. Een echo van je eigen ideeën. En die echo wordt steeds luider, want het algoritme merkt dat je dit soort content waardeert. Dus krijg je er meer van. En dat “meer” is vaak extremer. Want extremere content roept meer reactie op. En reactie is engagement. En engagement is waar het om draait.
Waarom is dit zo gevaarlijk? Omdat je nooit meer hoort waarom de ander denkt zoals die denkt. Je ziet alleen karikaturen. Extreem. Uitvergroot. Geselecteerd omdat ze woede of verontwaardiging opwekken. En woede verkoopt goed. Algoritmes houden van woede, want woede betekent engagement. Meer shares, meer comments, meer likes. En dat betekent advertentie-inkomsten. De vicieuze cirkel werkt zo: je ziet content die je bevestigt, je raakt overtuigd van je gelijk, je wordt extremer in je standpunten, je ziet de “ander” als vijand, het algoritme registreert je engagement, je krijgt nóg extremere content te zien, en dan begint de cyclus opnieuw. Dit is geen complottheorie. Dit is hoe het systeem ontworpen is. En het werkt precies zoals bedoeld.
De kunst van het weglaten: halve waarheden zijn hele leugens
Propaganda is niet alleen wat je zegt. Het is ook wat je niet zegt. En hier wordt het extra lastig. Want als iemand liegt, kun je dat checken. Maar als iemand selectief de waarheid vertelt? Dan klinkt het waar. Technisch gezien ís het waar. Maar zonder context is het misleidend. En dat is precies de bedoeling.
Neem migratie. In 2024 kwamen ongeveer 314.000 mensen naar Nederland, een daling van 6% vergeleken met 2023. Het aantal eerste asielaanvragen daalde met 16%. Maar hoe wordt dit gecommuniceerd? Rechtse partijen benadrukken: “De migratiedruk blijft te hoog!” Ze noemen het totale aantal, zonder te vermelden dat het gaat om arbeidsmigranten, studenten, gezinshereniging én asielzoekers samen. Of ze wijzen op de volle opvangcentra, zonder te melden dat 26% van de COA-bewoners al een vergunning heeft en wacht op een woning, niet op een asielbesluit. Linkse partijen doen het omgekeerde. Ze benadrukken de daling van 16% in asielaanvragen en dat Nederland op plek 15 staat in Europa als je kijkt naar aanvragen per 1.000 inwoners. Maar ze verzwijgen vaak de impact op lokale gemeenschappen die worstelen met integratie en huisvesting. (Actuelere cijfers vind je in de thema-app Migratie of Wonen van de NOS.)
Of kijk naar de woningmarkt. In vrijwel elk verkiezingsprogramma staat wonen in de top drie van prioriteiten. Iedereen is het eens: er moeten meer huizen komen. Maar hoe dat wordt geframed verschilt enorm. Rechtse partijen wijzen naar migratie als oorzaak van de woningnood. “Als er minder mensen komen, is er minder druk op de woningmarkt.” Technisch waar, maar het verzwijgt dat Nederland al decennia te weinig bouwt, dat scheiding en vergrijzing ook druk opleveren, en dat we een structureel probleem hebben. Linkse partijen benadrukken dat we te weinig betaalbare woningen bouwen en dat beleggers de markt opkopen. Ook waar. Maar ze verzwijgen vaak de kosten van versneld bouwen, de impact op natuur en ruimte, en de complexiteit van regelgeving die ze zelf vaak mee hebben ontworpen.
En dan de zorg. Iedereen erkent dat de zorg onder druk staat. Maar ook hier wordt selectief verteld. Linkse partijen benadrukken de wachttijden, de uitstroom van zorgpersoneel, de verslechtering van zorg. Ze pleiten voor meer investeringen. Wat vaak onderbelicht blijft: waar komt dat geld vandaan? Hogere belastingen? Bezuinigingen elders? Rechtse partijen benadrukken de betaalbaarheid en efficiëntie. Ze pleiten voor meer marktwerking. Wat minder wordt belicht: de thuiszorgmedewerker die nu tien cliënten per dag moet doen in plaats van zeven. De wachttijden die oplopen. De zorg die verschraalt.
Het resultaat? Jij krijgt halve waarheden. En die zijn gevaarlijker dan complete leugens. Want leugens kun je checken, ontkrachten, weerleggen. Halve waarheden klinken waar. Ze bevatten feiten. Maar de context ontbreekt. En zonder context is een feit betekenisloos. Of erger: een wapen.
Het individu versus het collectief: waarom labels zo gevaarlijk zijn
En nu komen we bij wat jou raakt. En wat mij raakt. En wat onze samenleving kapot dreigt te maken: het wegzetten van mensen. “Ah, jij bent dus een linkse woke-activist.” “Oh, jij bent zo’n rechtse nationalist.” En dan is het gebeurd. Gedefinieerd. Geclasseerd. Afgedaan.
Maar niemand is één ding. Jij niet. Ik niet. Die buurman niet. Die collega niet. We zijn allemaal een verzameling soms tegenstrijdige overtuigingen, ervaringen, angsten en hoop. En dat mag.
Ik ken mensen die voor meer asielopvang zijn én voor strenger klimaatbeleid. Die groen stemmen maar jagen in het weekend. Die links zijn maar vinden dat er grenzen zijn aan immigratie. Die rechts zijn maar voorstander van basisbeurs. Tegenstrijdig? Nee. Menselijk. Want mensen zijn complex. We passen niet in hokjes. We hebben genuanceerde meningen gevormd door onze levens, onze ervaringen, onze context. Maar in het publieke debat mag dit niet meer. Je moet kiezen. Een kant. Een label. Een hokje. En zodra je in dat hokje zit, wordt alles wat je zegt geïnterpreteerd door die lens. Stem je links? Dan ben je naïef. Stem je rechts? Dan ben je bekrompen.
Het gevolg? We praten niet meer met elkaar. We praten over elkaar. In karikaturen. In vijandbeelden. En daarmee maken we het gesprek onmogelijk. Want een gesprek vereist dat je de ander ziet als individu. Als mens. Met genuanceerde ideeën. Met twijfels. Met vragen. Maar propaganda wil geen genuanceerde mensen. Propaganda wil soldaten. Stemvee. Trouwe volgers die niet twijfelen. En hier zit het echte gevaar: als je mensen reduceert tot labels, hoef je niet meer naar ze te luisteren. Als je ze niet meer hoeft te horen, kun je ze makkelijker buitensluiten. En als je ze buitensluit, ontstaat er een “wij” en “zij”. En van daaruit is het een kleine stap naar dehumaniseren.
Dat klinkt extreem. Maar kijk naar de taal die we nu al gebruiken. “Tuig van de richel.” “asieltsunami.” “nepparlement.” “geïndoctrineerde linkse radicaaltjes”, “woke-marxisten”, “hersenloos geslijm met terroristentuig”. Dit zijn geen woorden die je gebruikt voor mensen die je respecteert. Dit zijn woorden die je gebruikt voor dingen die je wilt uitroeien. En dat begint met een label. Met een hokje. Met het ontkennen van iemands individualiteit. Daarom is dit zo gevaarlijk. Niet omdat één politicus het doet. Maar omdat we het allemaal doen. Links én rechts. De ene kant misschien meer dan de andere kant. En iedere keer dat we het doen, wordt de kloof groter en het gesprek onmogelijker.
Hoe ga je hiermee om?
Oké. Genoeg geanalyseerd. Wat doe je ermee? Want weten hoe het werkt is één ding. Je ertegen wapenen is iets anders.
Herken de signalen. Let op absolute woorden zoals “altijd”, “nooit”, “iedereen” en “niemand” – de werkelijkheid is zelden zo zwart-wit. Als iemand in absoluten spreekt, is er meestal nuance weggelaten. Emotionele lading zonder onderbouwing is ook een waarschuwingssignaal. Als een tekst vooral gericht is op woede, angst of verontwaardiging in plaats van op feiten, wees dan alert. Vraag je af: waarom wil deze tekst dat ik me zo voel? Ook gebrek aan nuance is verdacht. Complexe problemen hebben geen simpele oplossingen. Als het te makkelijk klinkt (“we sluiten gewoon de grenzen” of “we delen gewoon alles eerlijk”), is het dat meestal ook.
Vijandbeelden zijn een klassieke propagandatechniek. “Zij” versus “wij” – dit soort taal verdeelt bewust. Let op zinnen als “zij willen dat…” of “zij zijn erop uit om…” Ook weggelaten context is cruciaal. Bij elk cijfer, elk feit, vraag je af wat er niet wordt verteld. Wat is de bron? Wat is de definitie? Wat is de vergelijking? Een beroep op autoriteit zonder bewijs is ook verdacht. “Experts zeggen…” – welke experts? Waar staat dat? Is er consensus of is het één mening? En tot slot: persoonlijke aanvallen. Als de boodschapper wordt aangevallen in plaats van de boodschap, is er meestal geen sterk argument.
Vertraag je brein. Je reptielenbrein reageert snel. Te snel. Oefen dit: lees iets wat je woedend maakt? Tel tot tien voor je reageert. Zie je een claim die je bevestigt? Zoek bewijs dat het tegendeel zegt. Wil je iets delen? Vraag eerst: waarom wil ik dit delen? Vanwege de inhoud of vanwege het gevoel? Dit voelt onnatuurlijk, omdat je brein gemaakt is voor snelheid. Maar snelheid in een informatieoorlog is gevaarlijk. Langzaam denken is niet dom. Het is wijs.
Zoek meerdere bronnen. Eén bron vertelt nooit het hele verhaal. Zelfs niet als je die bron vertrouwt. Probeer dit: lees bewust een krant die je normaal níet leest. Volg iemand op sociale media die andere ideeën heeft. Kijk naar hoe verschillende media hetzelfde nieuws framen. Niet om van mening te veranderen, maar om te zien hoe perspectief werkt. Hoe taal stuurt. Hoe twee mensen naar hetzelfde feit kunnen kijken en iets anders zien. Dit is geen relativisme. Het is geen “alles is even waar”. Het is bewustzijn van hoe informatie gekleurd wordt. Door iedereen. Inclusief jou.
Vraag door. Accepteer geen vage beweringen. Stel kritische vragen. Wat bedoel je precies met…? Waar baseer je dat op? Zijn er ook nadelen aan jouw voorstel? Wat zou de andere kant hierop zeggen? Dit doe je niet om vervelend te zijn, maar om de waarheid dichter te naderen. Want de waarheid is complex, genuanceerd en soms ongemakkelijk. Maar het is de moeite waard om ernaar te graven.
Erken je eigen bias. Jij hebt ook vooroordelen. Ik ook. We zijn allemaal bevooroordeeld. Dat is menselijk. Maar je kunt het erkennen. Dat is niet makkelijk. Maar vraag je af: Waar ben ik blind voor? Welke informatie vermijd ik? Bij welke onderwerpen ben ik het meest emotioneel? Wat wil ik zo graag geloven dat ik niet kritisch kijk? Deze vragen zijn ongemakkelijk, maar noodzakelijk. Want pas als je je eigen bias erkent, kun je ermee omgaan.
Jouw rol als lezer – en als mens
Je bent geen passieve ontvanger. Je bent een kritische denker. Dat betekent niet dat je overal aan moet twijfelen. Want dan word je cynisch. En cynisme verlamt. Het maakt je passief. Apathisch. En dat is precies wat propaganda ook doet: het verlamt je vermogen om genuanceerd te denken. Maar het betekent wel dat je je bewust bent van hoe taal werkt. Hoe het stuurt, hoe het manipuleert en hoe je je daartegen kunt wapenen.
En het betekent iets anders. Iets belangrijkers misschien. Dat je de ander ziet als individu. Niet als etiket. Dat je vraagt naar iemands verhaal in plaats van aannames te maken. Dat je ruimte geeft voor nuance. Voor twijfel. Voor complexiteit. Want dat is wat propaganda kapot wil maken: het individuele denken. De genuanceerde blik en het menselijke gesprek.
De verkiezingen komen eraan. Politici gaan hun best doen om jou te overtuigen. Met woorden, met framing, met emotie en met angst. Juist nu is het belangrijk om te luisteren naar wat ze echt zeggen. En hoe ze het zeggen. En stel je zelf de vraag: waarom zeggen ze het zo? Want wie de taal beheerst, beheerst de gedachten. En wie de gedachten beheerst, wint de verkiezingen. Maar jij hoeft je gedachten niet over te geven. Jij kunt kiezen om bewust te blijven. Blijf kritisch, genuanceerd en vooral ook menselijk.
Wat dit betekent voor jouw eigen communicatie
Dit gaat niet alleen over politiek. Ook jij gebruikt taal. In je emails. Op LinkedIn. In je content. En ook jij kunt kiezen: ga je overtuigen met trucjes? Of met eerlijkheid? Ik zie het dagelijks in allerlei posts op LinkedIn, Facebook – mede mogelijk gemaakt door allerlei AI Agents: bedrijven die “een reis maken” in plaats van gewoon “werken aan”. Marketeers die “resoneren” en “induiken” in plaats van “begrijpen” en “onderzoeken”. Experts die zich verschuilen achter jargon in plaats van helder te zijn. Het is allemaal dezelfde tactiek: maak het vaag, dan klinkt het indrukwekkend. Maar jij kunt het anders doen.
Jij kunt kiezen voor heldere taal in plaats van mooipraterij. Concrete voorbeelden in plaats van vage beloftes. Toegeven dat je iets niet weet in plaats van bluffen. Nuance tonen in plaats van te polariseren. Propaganda werkt op korte termijn. Integriteit werkt voor altijd. En de wereld heeft behoefte aan mensen die eerlijk communiceren. Die niet manipuleren. Die het individu zien. Die het gesprek aangaan. Misschien begin je daar. Bij jezelf. In je eigen content. In je eigen taal. Want verandering begint klein. Met bewustzijn, met keuzes en met woorden.
Genoeg gelezen? Tijd om kritischer te worden. Niet cynisch, maar scherp. Want jouw stem telt. En jouw woorden ook. Zorg dat ze eerlijk zijn.
LinkedIn heeft meer kracht dan de meeste mensen beseffen. Je scrolt dagelijks door je feed, accepteert wat connectieverzoeken, maar er zit veel meer potentie in dan je denkt. Een goede LinkedIn netwerken routine maakt het verschil. Ik help je met een concrete aanpak die in 30 minuten per week je netwerk laat groeien.
Deze routine draai ik zelf elke week. Hij werkt. Voor mij en voor mijn klanten. Laten we stap voor stap door de aanpak gaan.
Stap 1: Beheer je connectieverzoeken (5 minuten)
Begin altijd met je connectieverzoeken. Niet alle verzoeken zijn goud waard — je wilt kwaliteit, geen kwantiteit.
Kijk naar wie je accepteert:
Mensen die je in het echt hebt ontmoet
Personen die al goed verbonden zijn met je netwerk
Professionals met hoge LinkedIn-activiteit
Mensen die reageren op jouw content
Leiders en influencers uit je vakgebied
C-level executives, partners en analisten
Erkende stemmen binnen LinkedIn
Het gaat om relevantie. Niet om grootte van je netwerk. Een connectie die nooit iets doet? Dat voegt niets toe aan je LinkedIn-spel.
Stap 2: Voeg strategisch nieuwe contacten toe voor LinkedIn netwerken (15 minuten)”
Hier zit de echte kracht van netwerken. Zoek actief naar interessante mensen. LinkedIn’s zoekfunctie is je beste vriend.
Mijn selectiecriteria voor nieuwe contacten:
Professionals die regelmatig posten en reageren
Mensen uit bedrijven waar je mee wilt samenwerken
Sprekers van events waar je bent geweest
Auteurs van artikelen die je interessant vindt
Werknemers van potentiële klanten
Experts in aangrenzende vakgebieden
LinkedIn’s Sales Navigator kan je helpen bij het vinden van de juiste mensen. Ook de gewone zoekfunctie van LinkedIn is krachtig genoeg voor deze strategie.
Stuur altijd een persoonlijk bericht bij je verzoek. “Hoi, ik vond je post over content marketing interessant” werkt beter dan de standaard LinkedIn-tekst. Wil je meer tips over wat wel en niet kan op LinkedIn? Check dan onze LinkedIn etiquette gids.
Stap 3: Onderhoud je bestaande LinkedIn netwerk (10 minuten)
Je netwerk groeit niet door connecties te verzamelen. Het groeit door interactie.
Professioneel netwerken doe je zo:
Maak een lijst van je belangrijkste contacten
Stel voor om af te spreken (persoonlijk of digitaal)
Verstuur gerichte LinkedIn-berichten naar externe contacten
Gebruik e-mail en interne chat voor collega’s
Scroll door je feed en:
Like posts die je aanspreken
Plaats zinvolle reacties
Deel content door (met eigen toevoeging)
Verwijder connecties die niet meer relevant zijn
Interactie moet natuurlijk aanvoelen. Forceer het niet. Reageer alleen als je daadwerkelijk iets toe te voegen hebt.
Bonus: Optimaliseer je contentstrategie
Tijdens je routine zie je wat werkt in je netwerk. Gebruik die inzichten voor je eigen content.
Let op:
Welke onderwerpen krijgen veel reacties?
Hoe schrijven de mensen in je netwerk?
Welke trends zie je voorbijkomen?
Wat deel je straks opnieuw (in eigen woorden)?
Je eigen content wordt sterker als je begrijpt wat je netwerk beweegt. Luister eerst, dan pas spreken.
De weekelijkse contentplanning
Plan je content rondom je netwerk:
Hergebruik interessante inzichten uit je feed
Reageer op trends die je ziet
Deel je eigen ervaring met onderwerpen die leven
Gebruik je netwerk om content te valideren
Pro-tip voor automatisering: Gebruik een content curation tool om de komende 15 dagen vol te plannen met verse content. Tools zoals Buffer of Hootsuite werken prima voor LinkedIn-planning. Feedly helpt je om interessante content te vinden die je kunt hergebruiken (in eigen woorden natuurlijk).
Zo hoef je niet elke dag na te denken over wat je gaat posten.
Profilering: blijf up-to-date
Je LinkedIn-profiel is nooit “af”. Update regelmatig:
Nieuwe projecten of functies
Recente certificeringen
Gewijzigde expertisegebieden
Verse aanbevelingen van klanten
Een verouderd profiel suggereert dat je niet groeit. Dat wil je niet uitstralen.
Waarom deze routine werkt
LinkedIn is geen sociale media zoals Instagram of Facebook. Het is een professioneel netwerk waar 740 miljoen professionals actief zijn. Mensen zitten er voor zakelijke doeleinden. Ze willen leren, groeien en zakendoen.
Door consistent waarde toe te voegen aan je netwerk, word je zichtbaar. Niet door te schreeuwen, maar door nuttig te zijn. Door te helpen. Door interessant te zijn.
Deze LinkedIn-routine kost je zo’n 30 minuten per week. Dat is minder tijd dan je besteedt aan scrollen door Instagram. Maar de impact op je carrière? Onvergelijkbaar groter.
Met deze LinkedIn netwerken routine bouw je systematisch aan je professionele zichtbaarheid. Week na week groeit je netwerk, worden je posts meer gezien, en ontstaan er nieuwe kansen. Dat is de kracht van consistent LinkedIn netwerken.
Tijd voor actie
Genoeg gelezen? Probeer deze routine komende week. Plan 30 minuten in je agenda. Maandag of dinsdag werkt het beste — dan is je netwerk het meest actief.
Net terug van vakantie? Perfect moment om te starten. Je hebt frisse energie en nieuwe inzichten. Bovendien zijn veel mensen in september weer actief op LinkedIn na de zomerstop.
Je kunt direct beginnen. Open LinkedIn. Check je connectieverzoeken. Voeg drie interessante mensen toe. Reageer op vijf posts. Klaar.
Meer hoef je niet te doen. Maar de impact? Die voel je binnen een maand.
Hoe vaak moet ik connectieverzoeken versturen? Niet meer dan 10-15 per week. LinkedIn houdt dit bij en kan je account beperken als je te veel verzoeken verstuurt die worden afgewezen.
Wat doe ik als iemand niet reageert op mijn connectieverzoek? Niets. Stuur geen herinneringen. Als ze geïnteresseerd zijn, accepteren ze. Anders niet. Ga door naar de volgende.
Moet ik altijd een persoonlijk bericht sturen bij connectieverzoeken? Ja, vooral bij mensen die je niet kent. Een standaard verzoek heeft veel minder kans om geaccepteerd te worden.
Hoe herken ik spam-connectieverzoeken? Lege profielen, geen profielfoto, geen connecties, of profielen met alleen maar verkooptaal. Gewoon lekker afwijzen.
Wat als mijn netwerk niet actief is op LinkedIn? Dan zoek je het verkeerde netwerk. Ga naar events, volg cursussen, doe mee aan vakgroepen. Bouw een netwerk op van mensen die wel actief zijn.
Kan ik deze routine automatiseren? Gedeeltelijk. Content planning kan. Maar persoonlijke interacties moeten echt persoonlijk blijven. Anders verlies je de menselijke connectie.
Hoeveel connecties heb ik nodig voor een goed netwerk? Kwaliteit boven kwantiteit. 500 relevante, actieve connecties zijn meer waard dan 5000 mensen die nooit iets doen.
Moet ik iedereen terugvolgen die mij volgt? Nee. Volg alleen mensen die waarde toevoegen aan je feed. Je tijd is beperkt, besteed ‘m aan content die je helpt groeien.
LinkedIn etiquette. Klinkt als een cursus die je moeder je zou laten volgen. Maar even serieus: er zijn mensen die denken dat LinkedIn Facebook is. En anderen die doen alsof het een begrafenis is. Beide hebben het mis.
Laat me je een geheimpje vertellen: LinkedIn etiquette draait niet om beleefdheid. Het draait om niet irritant zijn. Groot verschil.
Vorige week nog zag ik iemand die zijn complete vakantieverhaal deelde. Met foto’s van cocktails. En de week daarvoor kreeg ik een connectie-verzoek van iemand die alleen maar “Hoi” had getypt. Geen naam. Geen reden. Gewoon “Hoi”.
Dat soort dingen zorgen ervoor dat je wordt weggeklad. Niet omdat je onbeleefd bent, maar omdat je niet snapt waar je bent.
Waarom LinkedIn etiquette anders is dan je denkt
LinkedIn is geen Facebook. Maar het is ook geen sollicitatiegesprek. Het zit ergens tussenin. Een professionele borrel waar je nieuwe mensen ontmoet, kennis deelt, en jezelf laat zien zonder te koop te lopen.
De meeste LinkedIn gedragsregels gaan over één ding: respect voor andermans tijd. Niet meer, niet minder. LinkedIn’s eigen onderzoek toont aan dat professionals gemiddeld 17 minuten per dag op het platform spenderen – vooral voor zakelijke doeleinden.
Want iedereen die op LinkedIn zit, zit daar tijdens werktijd. Of in hun vrije tijd om hun carrière vooruit te helpen. Niemand wil hun tijd verspillen aan jouw irrelevante content of spammende berichten.
De 5 grootste LinkedIn etiquette fouten (en hoe je ze herkent)
1. De spam-connectie
Wat je niet doet: Connectie-verzoeken sturen zonder bericht. Of erger: met een standaard verkooppraatje.
Herken je dit? “Hoi [naam], ik help bedrijven met [jouw dienst]. Zullen we connecten?”
Waarom het irritant is: Je toont dat je niet hebt gekeken naar wie je een verzoek stuurt. Het is de digitale versie van iemand onderbreken tijdens het eten om je verzekeringspolissen te verkopen.
2. De aandachtsgraaier
Wat je niet doet: Posts schrijven die puur bedoeld zijn om reacties te krijgen. Zonder echte waarde.
Herken je dit? “Wat vind jij van AI? Reageer hieronder!” (En dan verder niets.)
Waarom het irritant is: Je vraagt mensen om hun expertise te delen, maar geeft zelf niets terug. Het is nemen zonder geven. Onderzoek van Hootsuite laat zien dat posts met concrete inzichten 3x meer engagement krijgen dan vage vragen.
3. De motivational quote-spammer
Wat je niet doet: Elke dag een motivational quote posten zonder eigen toevoeging.
Herken je dit? “De enige manier om geweldig werk te doen is door van je werk te houden. – Steve Jobs”
Waarom het irritant is: Je voegt niets toe aan het gesprek. LinkedIn wordt overstroomd met dezelfde quotes. Mensen willen jouw perspectief, niet dat van Steve Jobs (weer). LinkedIn’s eigen richtlijnen adviseren om persoonlijke inzichten toe te voegen aan gedeelde content.
4. De cv-dumper
Wat je niet doet: Je complete werkervaring opsommen in je posts.
Herken je dit? “Vandaag 5 jaar geleden startte ik bij [bedrijf]. Toen deed ik [taak], daarna [andere taak], en nu doe ik [huidige taak].”
Waarom het irritant is: Niemand wacht op je autobiografie. Je profiel is al je cv. Posts zijn voor inzichten, niet voor geschiedenis.
5. De DM-verkoper
Wat je niet doet: Direct na een connectie een verkoopbericht sturen.
Herken je dit? “Hoi [naam], bedankt voor de connectie! Ik help bedrijven met [dienst]. Heb je daar interesse in?”
Waarom het irritant is: Je behandelt LinkedIn als een leadmachine in plaats van een netwerkplatform. Het is als iemand de hand schudden en meteen vragen of ze iets willen kopen.
LinkedIn connectie etiquette: zo doe je het goed
Een goede connectie-aanvraag heeft drie onderdelen:
Waarom je wilt connecten (niet verkopen)
Hoe je die persoon hebt gevonden (context)
Wat je eventueel kunt betekenen (optioneel)
Voorbeelden die werken:
Voor iemand die je interessant vindt: “Hoi [naam], ik las je post over [onderwerp] en herkende veel van wat je schreef. Zou graag connecten om je content te blijven volgen.”
Voor iemand uit je branche: “Hoi [naam], ik zag dat je ook in [industrie] werkt. Altijd leuk om collega’s te leren kennen. Zou graag connecten!”
Voor iemand die je hebt ontmoet: “Hoi [naam], leuk je vandaag te hebben ontmoet op [event]. Zou graag connecten om het gesprek voort te zetten.”
Wat je nooit doet:
Geen bericht sturen (lazy)
Standaard verkooppraatje (spam)
Alleen “Hoi” typen (nutteloos)
Connecten zonder reden (waarom?)
Reageren op posts: de ongeschreven regels
LinkedIn comments zijn geen Twitter. Je hebt meer ruimte. Gebruik die.
Wel doen:
Voeg iets toe aan het gesprek: “Interessant punt over [onderwerp]. Ik zie hetzelfde in mijn praktijk, vooral bij [specifiek voorbeeld].”
Stel een doordachte vraag: “Hoe pak je dat aan als je te maken hebt met [specifieke situatie]?”
Deel een ervaring: “Dit herken ik. Vorig jaar hadden we hetzelfde probleem. Wat bij ons werkte was [concrete oplossing].”
Niet doen:
Één-woord-reacties: “Interessant!” (Voeg wat toe. Waarom interessant?)
Zelfpromotie: “Precies! Daarom help ik bedrijven met [jouw dienst].” (Niemand vroeg ernaar.)
Discussie zoeken: “Hier ben ik het totaal niet mee eens omdat [lange rant].” (Je mag het oneens zijn, maar blijf respectvol.)
Wat je nooit moet doen in DM’s
LinkedIn DM’s zijn krachtig. Maar ook gevaarlijk. Eén verkeerd bericht en je wordt geblokt. HubSpot’s LinkedIn Marketing Report toont dat 76% van de professionals direct messages van vreemden als spam ervaren wanneer er meteen wordt verkocht.
De gouden regels:
Verkoop nooit meteen – Bouw eerst een relatie op
Personaliseer altijd – Laat zien dat je hun profiel hebt bekeken
Houd het kort – Niemand leest lange berichten
Voeg waarde toe – Deel iets nuttigs, vraag niet alleen
Voorbeelden die werken:
Na een connectie: “Hoi [naam], bedankt voor de connectie! Ik volg je content al een tijdje – vooral je post over [onderwerp] vond ik sterk.”
Om contact te leggen: “Hoi [naam], ik zag je reactie op [post] en dacht: die heeft verstand van zaken. Zou je interesse hebben in een koffie om ervaringen uit te wisselen?”
Om waarde toe te voegen: “Hoi [naam], ik kwam dit artikel tegen over [onderwerp] en dacht meteen aan je post van vorige week. Misschien interessant: [link]”
LinkedIn etiquette voor beginners vs professionals
Als je net begint:
Luister meer dan je praat – Reageer op posts voordat je zelf gaat posten
Volg interessante mensen – Leer van hun content en aanpak
Wees jezelf – Doe niet alsof je meer ervaring hebt dan je hebt
Stel vragen – Mensen helpen graag beginnende professionals
Gebruik LinkedIn Learning – Gratis cursussen over professioneel netwerken
Als je ervaren bent:
Help anderen – Reageer op vragen van mensen die beginnen
Deel kennis – Niet alleen meningen, maar concrete inzichten
Maak verbindingen – Stel mensen aan elkaar voor (LinkedIn’s referral functie helpt hierbij)
Wees toegankelijk – Blijf benaderbaar ondanks je expertise
De belangrijkste LinkedIn etiquette regel
Hier is de belangrijkste regel: behandel LinkedIn zoals een professionele borrel.
Je zou ook niet naar een networkevent gaan om alleen maar over jezelf te praten. Of om direct je diensten te verkopen aan iedereen die je ontmoet. Of om motivational quotes voor te lezen.
Je gaat erheen om mensen te ontmoeten. Om te luisteren. Om te helpen waar je kunt. En om gezien te worden als iemand die weet waar hij of zij over praat.
Dat is LinkedIn etiquette. Niet moeilijker dan dat.
Samenvattend:
Respecteer andermans tijd
Voeg waarde toe in plaats van te nemen
Wees jezelf, maar dan de professionele versie
Luister meer dan je praat
Help anderen waar je kunt
Doe je dat? Dan zit je goed. En als je twijfelt: vraag jezelf af of je hetzelfde zou doen op een professionele borrel. Het antwoord zegt genoeg.
Veelgestelde vragen over LinkedIn etiquette
Mag ik mensen connecten die ik niet ken? Ja, maar stuur altijd een persoonlijk bericht erbij. Leg uit waarom je wilt connecten en hoe je hen hebt gevonden. Blind connecten zonder reden is irritant.
Hoe vaak mag ik posten zonder spam te worden? Er is geen magisch getal. Kwaliteit gaat boven kwantiteit. Liever één goede post per week dan vijf saaie posts per dag. Als je elke dag iets waardevols te zeggen hebt, post dan elke dag.
Wanneer mag ik iemand een DM sturen? Altijd, maar verkoop nooit meteen. Wacht minimaal een week na een connectie. Voeg eerst waarde toe door hun posts te liken of erop te reageren.
Mag ik reageren op posts van mensen waar ik niet mee geconnecteerd ben? Absoluut! Reageren op posts is een van de beste manieren om nieuwe connecties te maken. Zorg dat je reactie waarde toevoegt aan het gesprek.
Hoe vraag ik om een LinkedIn aanbeveling? Persoonlijk en specifiek. Vertel waarom je die persoon vraagt, voor welke rol je de aanbeveling nodig hebt, en bied aan om er ook een terug te schrijven.
Mag ik LinkedInposts delen in WhatsApp-groepen? Alleen als het relevant is voor die groep. Deel niet zomaar al je posts overal – dat is spam. Denk na: zou de groep hier echt waarde uit halen?
Wat doe ik als iemand me spamt in de DM’s? Negeer het eerste bericht. Bij herhaalde spam: blokkeer zonder pardon. Je tijd is te kostbaar voor irritante verkopers.
Mag ik LinkedIn gebruiken voor het vinden van medewerkers? Ja, maar doe het slim. Zoek niet alleen naar CV’s, maar naar mensen die interessante content delen. Benader kandidaten persoonlijk, niet met standaard rekruteringsberichten.
Hoe reageer ik op negatieve comments op mijn posts? Blijf professioneel. Erken het punt als het terecht is, leg uit als het een misverstand is, en negeer als het alleen maar negativiteit is. Verwijder alleen bij echte trolls.
Mag ik persoonlijke zaken delen op LinkedIn? Ja, maar alleen als het relevant is voor je professionele verhaal. Je promotie? Prima. Je vakantie? Alleen als er een zakelijke les aan vastzit. Je politieke mening? Denk drie keer na.
Heb je vragen over LinkedIn etiquette of wil je hulp bij het optimaliseren van je LinkedIn strategie? Ik help je graag!
Eerste regel: Van links naar rechts. Volledig. Tweede regel: Weer van links naar rechts. Maar korter. Daarna: Alleen nog de linkerkant. Zoekend naar signalen.
Daarom werken bullets. Daarom zijn eerste woorden van alinea’s cruciaal. Daarom vallen lange lappen tekst af.
Het is geen luiheid. Het is efficiëntie.
Waarom je brein zo werkt
Terug naar 10.000 jaar geleden. Jij bent jager-verzamelaar. In de verte zie je beweging. Je brein moet binnen seconden bepalen:
Prooi of roofdier? Kans of gevaar? Actie of doorlopen?
Niet: “Inleiding tot onze nieuwe werkwijze” Wel: “Drie dingen die vanaf morgen anders zijn”
2. Eerste zinnen tellen dubbel
Elke alinea begint met je boodschap. Niet met een mooie overgang. Met de kern.
3. Witruimte is je vriend
Lange lappen tekst = mentale muur. Korte blokken = hapklare brokken.
4. Maak het scanbaar
Bullets zoals deze
Vetgedrukte kernwoorden
Subkoppen die verhaal vertellen
5. Beloon de scanner
Geef in die eerste 7 seconden een voorproefje van wat komt. Maak nieuwsgierig. Niet vaag.
Voor en na: hetzelfde verhaal, andere impact
Voor: “In het kader van onze verbetertraject hebben wij een analyse gemaakt van de huidige werkprocessen. Uit deze analyse blijkt dat er verschillende knelpunten zijn geïdentificeerd die een negatieve impact hebben op de efficiëntie van onze dagelijkse werkzaamheden. Wij stellen daarom voor om een aantal aanpassingen door te voeren die zullen resulteren in een optimalisatie van de workflow.”
Na: “Drie problemen die jullie werk vertragen:
Teveel vergaderingen zonder duidelijk doel
Onduidelijke prioriteiten bij deadlines
Dubbel werk door slechte afstemming
Oplossing: Nieuwe werkafspraken vanaf volgende week. Concreet en simpel.”
Zie je het verschil? Hetzelfde verhaal. Maar de tweede versie respecteert die 7 seconden.
De kunst van het weglaten
Hier komt de pijn: je mooiste zinnen zijn vaak je grootste vijand.
Die perfect geformuleerde overgang? Weg ermee. Die genuanceerde uitleg? Korter. Die elegante woordkeuze? Simpeler.
Het gaat niet om mooie teksten. Het gaat om teksten die werken.
Jouw 7-seconden-test
Volgende keer als je een tekst hebt geschreven, doe dit:
Knijp je ogen half dicht en kijk naar je tekst
Wat zie je het eerst? Dat bepaalt of mensen blijven lezen
Scan je eigen tekst in 7 seconden – begrijp je de kern?
Markeer woorden die eruit springen – zijn dat de juiste?
Als je eigen tekst de 7-seconden-test niet doorstaat, waarom zou die van een ander het dan wel doen?
De bottomline: Je brein scant eerst, leest later. Respecteer dat. Maak je teksten scanbaar. Geef lezers houvast in die eerste cruciale seconden.
Want die 7 seconden bepalen of je boodschap aankomt. Of verdwijnt in de digitale ruis.
Gebruik ze slim.
Veelgestelde vragen
Waarom scannen mensen in plaats van lezen? Ons brein is geëvolueerd om snel gevaar en kansen te herkennen. Die ‘software’ gebruiken we nog steeds bij teksten. Scannen is overleven.
Betekent dit dat lange teksten niet meer werken? Nee, maar ze moeten wel scanbaar zijn. Gebruik subkoppen, bullets en korte alinea’s. Geef lezers rustpunten.
Hoe test ik of mijn tekst scanbaar is? Knijp je ogen half dicht en kijk naar je tekst. Wat zie je het eerst? Dat bepaalt of mensen blijven lezen. Scan je eigen tekst in 7 seconden – begrijp je de kern?
Moet ik al mijn mooie zinnen weggooien? Niet allemaal, maar wel die zonder functie. Elke zin moet scanners verder helpen of stoppers laten blijven lezen.
Werkt dit ook voor formele teksten? Zeker. Ook juristen, artsen en consultants hebben maar 7 seconden. Maak je expertise scanbaar zonder het te verarmen.
We kennen ze allemaal: wollige teksten die eindeloos dóórgaan, zonder ooit echt iets te zeggen. Zinnen vol ‘met betrekking tot’, ‘in het kader van’, en ‘het realiseren van optimalisatieprocessen’. Je leest, je zucht, je haakt af.
Wollige tekst: het was zeker de fout die ik als junior keer op keer maakte. Die mijn baas en redacteur toendertijd waarschijnlijk ook tot wanhoop dreven. Keer op keer trapte ik in de valkuil der wolligheid. Ik leerde het herkennen en wollig tekstgebruik te vermijden.
En toch… betrap ik mezelf er nog weleens op. Zeker als ik snel iets opschrijf, netjes probeer te zijn of in ‘ik moet professioneel klinken’-modus schiet.
Wolligheid is verraderlijk. Het klinkt netjes, maar zegt vaak niks. En het ergste is: je herkent het niet altijd. Vooral niet als je zelf de schrijver bent.
Hoe herken je een wollige tekst (en voorkom je wollige teksten)
Wolligheid sluipt erin. Bij starters, maar net zo goed bij ervaren schrijvers. Dit zijn de meest voorkomende valkuilen:
🌀 Je wilt professioneel overkomen. En dus kies je ‘inzetten op verbinding’ in plaats van ‘praten met je collega’s’. Klinkt gewichtig, maar wat bedoel je eigenlijk?
🧠 Je zit nog te veel in je hoofd. Je denkt al schrijvend na. Je formuleert voorzichtig. En voordat je het weet staat er een halve alinea zonder duidelijke boodschap.
🎓 Je verwart belangrijk klinken met duidelijk zijn. Zeker in zakelijke context. Je denkt dat ingewikkeld indruk maakt. (Spoiler: dat doet het niet.)
🚫 Je hebt geen tijd (of zin) om te schrappen. Dus laat je die overbodige bijzinnen gewoon staan. Terwijl juist het weglaten van ruis je tekst krachtig maakt.
👀 Je zit te dicht op je eigen woorden. Je leest wat je bedoelt, niet wat er staat. En dan valt het niet op dat je lezer ondertussen al drie keer is afgehaakt.
Eenvoudig: als je iets drie keer leest en nog steeds denkt ‘huh?’, dan zit je midden in een wolk van taal. Maar ook dit zijn signalen:
Zinnen met vier bijzinnen en nul punt
Vage woorden als ‘optimaliseren’, ‘realiseren’, ‘inzetten op’
Abstracte containerbegrippen zoals ‘kwaliteit’, ‘innovatie’, ‘traject’
Veel woorden, weinig inhoud
Teksten waar je na afloop denkt: wat stond er nou eigenlijk?
Zo maak je het helder, zonder je boodschap te verliezen
🗣 Schrijf zoals je praat. En nee, dat betekent niet dat je alles maar ‘lekker luchtig’ maakt. Het betekent: wees jezelf. Duidelijk, menselijk, oprecht.
🎯 Zeg wat je bedoelt. Vraag jezelf bij elke zin af: wat wil ik hiermee zeggen? Schrap de rest.
🧹 Ga met de bezem door je tekst. ‘In staat zijn om te’ wordt gewoon ‘kunnen’. ‘Met betrekking tot’ wordt ‘over’. ‘Zorgt ervoor dat’ wordt ‘zorgt dat’.
🔍 Lees je tekst hardop voor. Als je struikelt over je eigen zin: herschrijven. Als het klinkt als een e-mail van een semi-formele ambtenaar in 1998: herschrijven.
📌 Gebruik voorbeelden. Niet: “Wij richten ons op klantgerichtheid.” Wel: “Bij ons krijg je binnen één minuut iemand aan de lijn die je écht helpt.” Bam. Begrijpelijk én geloofwaardig.
Koken zonder recept (of: hoe je tekst een prutje wordt)
Schrijven is soms net koken. Als je alles in één pan gooit zonder op smaak te letten, krijg je prut. Veel ingrediënten, maar geen gerecht. Wollige teksten zijn net zo: alle termen staan erin, maar de lezer heeft geen idee wat-ie proeft.
Goede teksten hebben net als goede recepten een paar kernsmaken. Je weet wat je wilt overbrengen en gebruikt de juiste ingrediënten in de juiste hoeveelheid. Niet meer, niet minder.
Soms heb je alleen maar een beetje citroen nodig. Soms moet het vuur wat lager. En soms gooi je die hele eerste alinea gewoon weg omdat hij nergens naar smaakt.
Schrijven is schrappen (en herlezen, en herschrijven)
Tekst is zelden in één keer goed. Echt niet. De eerste versie is vaak gewoon een klad. Wat werkt: leg je tekst een dag weg, zet ’m in een ander lettertype, en lees ’m dan hardop terug.
En let op je ademhaling. Moet je drie keer happen naar lucht tijdens het voorlezen van één zin? Dan is je zin te lang. Klinkt kinderachtig, maar het werkt echt.
De langste zin die ik ooit in een klanttekst tegenkwam? 72 woorden. En ja, ik heb nog gezocht of ik ’m ergens had opgeslagen — helaas. Maar geloof me: het was een soort talige tuinslang waar je als lezer in verstrikt raakte. Geen begin, geen einde, alleen maar ‘en’, ‘zodat’, ‘teneinde’ en ‘omtrent’.
Schrijven is schrappen. Niet als straf, maar als liefde voor je lezer. Je haalt niet weg wat overbodig is — je laat over wat écht telt.
Tot slot: minder mist, meer smaak
Wolligheid is geen stijl. Het is een waas. Een laag mist tussen jou en je lezer. Dus schrap. Versimpel. Verhelder. Je tekst hoeft niet mooi te zijn. Hij moet duidelijk zijn. Pas daarna mag-ie glanzen.
En onthoud: een goede tekst is als een goed gerecht. Je proeft wat erin zit, je herkent de intentie, en je hebt zin in meer.
🧰 Handige lijst: woorden die je tekst wollig maken (en wat je beter schrijft)
Wollig taalgebruik begint vaak met vage of formeel klinkende woorden. Hieronder vind je een lijst met veelvoorkomende termen en wat je beter kunt gebruiken:
Wollig woord of uitdrukking
Concreet alternatief
In het kader van
Over, vanwege
Met betrekking tot
Over
Teneinde
Om te
Middels
Via
Realiseren
Maken, doen
Faciliteren
Helpen, mogelijk maken
Implementeren
Invoeren, gebruiken
Optimaliseren
Verbeteren
Bewerkstelligen
Zorgen voor
In staat zijn om
Kunnen
Zich richten op
Werken aan, zich bezighouden met
Ten aanzien van
Over, met
Derhalve
Daarom
Aldus
Zo, volgens
Tip: Gebruik deze lijst als ‘wollige woorden bingo’ bij het redigeren van je eigen teksten of die van een collega. Je zult verbaasd zijn hoeveel mist je kunt opruimen.
Wil je samen door je tekst roeren tot hij weer scherp, pittig of juist fluweelzacht is? Je weet me te vinden.
Veelgestelde vragen
Wat zijn wollige teksten? Wollige teksten bevatten vage, omslachtige of onduidelijke taal. Ze missen scherpte, concrete voorbeelden en duidelijkheid, waardoor de boodschap verloren gaat.
Hoe herken ik een wollige tekst? Aan lange zinnen, abstracte termen en onnodige vaktaal. Als je zelf struikelt bij het voorlezen, is dat meestal een teken van wolligheid.
Wat is dan wél duidelijke taal? Volgens de Rijksoverheid is dat taal die mensen in één keer begrijpen — zonder onnodige vaktermen, moeilijke zinnen of vage formuleringen. Daar kun je je tekst direct op toetsen.
Waarom moet je wollige teksten vermijden? Omdat ze lezers afremmen, verwarren of laten afhaken. Heldere taal zorgt voor begrip, vertrouwen en actie.
Hoe voorkom ik wollig taalgebruik in mijn teksten? Schrijf zoals je praat, gebruik concrete voorbeelden, lees je tekst hardop en schrap overbodige woorden. En laat je tekst een dag liggen voordat je hem herleest.
Is wolligheid hetzelfde als formeel taalgebruik? Niet per se. Formeel kan ook duidelijk zijn. Wollig taalgebruik is vooral vaag, omslachtig en niet to-the-point — ook binnen een formele stijl.
Je LinkedIn posts krijgen geen reacties. Geen nieuwe connecties. Geen leads. Terwijl je collega’s wel opvallen. Hoe kan dat? Waarschijnlijk schrijf je LinkedIn posts die niet werken. Posts die zo voorspelbaar zijn geworden dat ze onzichtbaar zijn.
Gisteren scroll ik door LinkedIn. Koffie in de hand, nieuwsgierig naar wat er speelt. En dan zie ik het weer. Dezelfde post. Voor de honderdste keer deze week. Andere persoon, andere foto, maar exact hetzelfde verhaal: Ik ben dankbaar voor…
Ik zucht. Scroll door. En zie hem weer. En weer. Het is alsof iedereen hetzelfde script volgt. Alsof er ergens een handleiding bestaat: Zo schrijf je een LinkedIn-post die niet werkt en die niemand leest.
Want dat is wat er gebeurt. Deze posts verdwijnen. In de massa. In de voorspelbaarheid. Ze roepen zelfs irritatie op. Ik scroll er steeds sneller doorheen.
Er zijn drie patronen die zo ingeburgerd zijn dat niemand er meer bij stilstaat. Iedereen trapt erin. Zonder het door te hebben. En jij? Jij schrijft ze misschien ook. En zelf betrap ik me er ook wel eens op. Als de inspiratie of tijd een keer wat minder is…
Het dankbaarheids-drama
Scroll door LinkedIn en je ziet het overal. In de IT, in de zorg, in het onderwijs, in marketing. Exact dezelfde openingszin: Ik ben dankbaar voor de kans om te spreken op [evenement]. Hier zijn de 3 belangrijkste inzichten…
Het maakt niet uit of je cybersecurity expert bent of lerares basisonderwijs. Iedereen gebruikt dezelfde woorden. Hetzelfde format. Hetzelfde verhaal.
En dat is precies het probleem.
Want wat gebeurt er als iedereen dankbaar is? Als elke post begint met dezelfde zin? Dan wordt dankbaarheid achtergrondgeluid. Wallpaper. Iets wat je niet meer hoort omdat het er altijd is. Het woord heeft geen betekenis meer.
Kijk maar naar dit verschil:
Ik ben dankbaar voor de kans om te spreken over cybersecurity…
versus
De meeste bedrijven maken dezelfde cybersecurity fout. Ik zie het elke week.
Die eerste regel bepaalt of mensen verder lezen. Of ze stoppen met scrollen. Of jouw expertise opvalt. Dankbaarheid stopt niemand.
De inspiratie-epidemie
Maandag. Nieuwe week. Nieuwe LinkedIn-posts. En daar is het weer: “Onlangs werd ik geïnspireerd door…” Een gesprek met een klant. Een boek. Een kind op straat. Een vogel. Een koffiekopje. Alles inspireert tegenwoordig.
Ik scroll door zo’n post en weet al wat er komt. Het verhaal. De les. De wijsheid. Het is een formule geworden. Stap 1: Ik werd geïnspireerd. Stap 2: Hier is wat er gebeurde. Stap 3: Dit is wat ik ervan leerde. Stap 4: En jij kunt dit ook. Zo voorspelbaar dat je het kunt invullen voordat je het gelezen hebt.
Kijk naar dit verschil:
Onlangs werd ik geïnspireerd door een gesprek met een klant over recruitment…
versus
Recruitment gaat fout bij stap 2. Niet bij stap 1, zoals iedereen denkt.
Eentje voelt als een verhaal dat je al kent. De andere maakt je nieuwsgierig.
Nieuwsgierigheid wint van inspiratie. Altijd.
De tip-tsunami
En dan zijn er de tips. Oh, de tips. Ze zijn overal. In elke sector. Voor elk probleem.
Hier zijn 5 tips voor betere teamcommunicatie:
Luister actief
Stel vragen
Geef feedback
Wees eerlijk
Respecteer verschillen
Je kunt “teamcommunicatie” vervangen door “projectmanagement”, “klantservice”, “leidinggeven” of “timemanagement”. De tips blijven hetzelfde. Algemeen. Veilig. Toepasbaar op iedereen.
En dat is precies waarom ze niet werken.
Deze tips zijn zo breed dat ze nutteloos zijn. Ze gelden voor de IT-manager, de zorgverlener, de onderwijzer én de marketeer. Maar als iets voor iedereen geldt, helpt het niemand echt verder. Het voegt geen onderscheid toe. Geen unieke waarde. Geen reden om jou te volgen in plaats van die andere expert in jouw vakgebied.
Maar kijk naar dit verschil:
Hier zijn 5 tips voor betere presentaties…
versus
Gisteren zag ik een presentatie mislukken door één fout. Niet door slechte slides. Door dit.
Eentje is een lijst. De andere is een verhaal. Met een belofte. Met nieuwsgierigheid.
Welke wil je lezen?
Waarom deze LinkedIn posts mislukken
Het is veilig. Iedereen doet het. Het voelt vertrouwd. Bekend. Maar veilig betekent onzichtbaar. Vertrouwd betekent voorspelbaar. En voorspelbaar betekent dat jouw expertise verdwijnt. In de massa van dankbare, geïnspireerde tip-gevers.
Het echte probleem
Deze drie post-types hebben één ding gemeen: ze maken je onzichtbaar.
Niet omdat ze slecht zijn. Maar omdat ze uitwisselbaar zijn.
De dankbaarheidspost van een HR-manager klinkt hetzelfde als die van een IT-consultant. De inspiratie-post van een zorgverlener gebruikt dezelfde woorden als die van een marketeer. De tips van een onderwijzer zijn toepasbaar op elke sector.
Het resultaat? Jouw expertise verdwijnt in de massa. Je klinkt als iedereen. Je biedt hetzelfde als de rest. Je geeft mensen geen reden om jou te volgen in plaats van die andere expert.
Neem die software developer die ik volg. Senior kerel, 12 jaar ervaring. Schrijft technische blogs over code, frameworks, best practices. Inhoudelijke posts vol vakkennis. Die krijgen 15, 20, soms 30 likes. Maar zijn toppost van afgelopen maand? Een simpele selfie vanuit zijn thuiskantoor, koffiekop in de hand. “Net 3 uur debugging. Blijkt het een typfout van één letter te zijn. Soms haat ik dit vak.” 147 likes. 23 reacties.
Zie je wat er gebeurt? Hij laat zichzelf zien. Echt. Gefrustreerd. Menselijk. Zijn technische posts zijn waardevol – voor andere developers. Maar die frustratie over 3 uur werk voor één stomme typefout? Die herkent iedereen. Zijn moeder snapt misschien niks van debugging, maar wel hoe het voelt om uren te zoeken naar iets simpels. Zijn CEO begrijpt de frustratie van tijd verspillen aan kleine fouten. Die marketeer uit zijn netwerk herkent het gevoel van “soms haat ik dit vak”.
Authenticiteit wint het soms van expertise. Niet omdat expertise minder waard is, maar omdat meer mensen zich erin kunnen herkennen.
LinkedIn posts die wél werken
De posts die je doet stoppen met scrollen hebben iets gemeen. Ze beginnen met hun sterkste verhaal. Geen opbouw. Geen dankbaarheid. Geen inspiratie. Direct raak. Ze delen concrete situaties. Wat er gebeurde. Bij welke klant. Welk probleem. Welke oplossing. Ze nemen een standpunt in. “Dit werkt niet.” “Hier gaat het fout.” “Zo doe je het beter.” Niet iedereen hoeft het eens te zijn.
De test
Ga naar je LinkedIn. Bekijk je laatste 5 posts. Kun je voorspellen hoe ze beginnen voordat je ze leest? Klinken ze als jij? Of als die consultant naast je in de trein? Als het antwoord “als iedereen” is, dan weet je wat je te doen staat. Dan heb je inderdaad LinkedIn post die misschien niet zo werken als je zou willen.
Want jouw expertise is uniek. Jouw verhalen zijn anders. Jouw perspectief is waardevol. Tijd om dat te laten zien. Zonder dankbaarheid. Zonder inspiratie. Zonder tips. Met verhalen die alleen jij kunt vertellen.
Veelgestelde vragen
Waarom werken deze LinkedIn posts niet meer? Deze posts zijn zo vaak gebruikt dat ze voorspelbaar zijn geworden. Je lezer weet al wat er komt voordat hij het gelezen heeft. Daardoor scrollt hij door zonder te stoppen.
Wat zijn de beste alternatieven voor deze LinkedIn posts? Begin direct met je sterkste punt. Deel concrete situaties uit je werk. Neem een duidelijk standpunt in. Vertel verhalen die alleen jij kunt vertellen.
Hoe zorg ik dat mijn LinkedIn posts wel opvallen? Vermijd de drie clichés uit dit artikel. Schrijf zoals je praat. Begin met nieuwsgierigheid in plaats van dankbaarheid. Deel specifieke ervaringen in plaats van algemene tips.
Moet ik helemaal stoppen met tips geven op LinkedIn? Nee, maar maak ze specifiek. In plaats van “5 tips voor teamwork” probeer “Deze ene fout zag ik gisteren in een teammeeting. Zo voorkom je het.”
Klaar om op te vallen? Om jouw verhalen de aandacht te geven die ze verdienen? Laten we praten. Geen gedoe. Wel resultaat.
Ken je dat? Zo’n presentatie vol grafieken waar niemand iets van onthoudt — en dan die ene collega die een persoonlijk verhaal deelt. Iedereen muisstil. Je voelt het nog. Jij ook?
Verhalen werken. Niet omdat ze mooier zijn dan feiten, maar omdat ze anders binnenkomen. Dieper. Dieper dan PowerPoints of spreadsheets ooit zullen komen. En dat is precies waarom ik zo graag met verhalen werk.
Wat een verhaal doet met je brein
Neurowetenschapper Paul Zak noemt het ‘immersion’. Klinkt ingewikkeld, valt mee. Je wordt als het ware ondergedompeld in een verhaal. Je brein maakt oxytocine aan (vertrouwen, verbinding) en dopamine (motivatie, actie). Kortom: je voelt iets. En als je iets voelt, onthoud je het ook.
Dát is de reden waarom we onze eerste sollicitatiegesprekken nog weten — maar niet wat er in de handleiding van ons koffiezetapparaat stond.
Een verhaal raakt méér dan alleen je hoofd
Verhalen activeren meerdere delen van je brein tegelijk. Beeld, gevoel, beweging. Je ziet het voor je. Je voelt het bijna. Je lééft het. Daarom werkt een goed verteld verhaal zoveel beter dan droge informatie.
Of zoals ik het zelf vaak uitleg: verhalen zijn geen sausje. Ze zijn de basis. Zonder verhaal is je boodschap snel vergeten. Met een goed verhaal blijft ‘ie hangen — én komt ‘ie binnen.
Schrijf zoals je praat (echt waar)
Een veelgemaakte fout: verhalen vertellen op papier in ingewikkelde schrijftaal. Terwijl juist spreektaal zóveel beter blijft hangen. Mensen willen geen tekstblok vol lange zinnen en moeilijke woorden. Ze willen jou horen. Jouw stem. Jouw toon.
Praat dus zoals je schrijft. En schrijf zoals je praat. Geen schrijftaal die bol staat van de bijzinnen, maar gewoon: mensentaal. Alsof je het vertelt aan een goede vriend — glas wijn in de hand (daar is-ie weer).
Waarom ik zo vaak over wijn schrijf
En ja, dat wijnvoorbeeld gebruik ik graag. Niet omdat ik nou per se wil drinken om zeven uur ’s ochtends (hoewel…), maar omdat er zóveel verhalen achter schuilgaan. Denk aan die eeuwenoude chateaus in Frankrijk, met kelders vol geheimen. Als die muren toch eens konden praten…
Achter elke fles zit een verhaal. Een familiegeschiedenis. Een heel proces. Een gelukte, maar soms ook mislukte oogst. Een grootse droom. En dat maakt het boeiend. Niet het alcoholpercentage. Niet het label. Maar het verhaal.
Daarom werk ik ook zo graag met ondernemers, professionals en teams aan hún verhaal. Want als jij alleen maar communiceert in feiten, verlies je de aandacht. Maar als je een verhaal vertelt dat ruikt naar aarde, knispert als herfstbladeren of zindert van verlangen — dan luistert iedereen.
Kies het juiste verhaal voor het juiste moment
Verhalen zijn geen eenheidsworst. Je kiest het verhaal dat past bij je doel. In het boek Maak van verhalen je superkracht lees je over drie soorten verhalen:
Oorsprongsverhalen – laat zien waar je vandaan komt
Mindshiftverhalen – help je publiek anders denken
Kompasverhalen – geef richting bij dilemma’s
Begin dus niet zomaar te vertellen, maar vraag jezelf af: wat wil ik dat de ander voelt, onthoudt, doet?
Maak het zintuiglijk, niet vlak
Een goed verhaal prikkelt je zintuigen. Het ruikt, proeft, beweegt.
❌ “Hij was nerveus.” ✅ “Zijn vingers speelden met de rand van zijn koffiekopje. Hij keek drie keer op zijn horloge.”
Die details doen het ‘m. Niet omdat het mooischrijverij is, maar omdat je lezer dan voelt wat jij bedoelt.
Vertel je verhaal
Je hoeft geen schrijver te zijn om een goed verhaal te vertellen. Begin met iets wat je echt hebt meegemaakt. Kies één moment. Eén ervaring. En schrijf die op alsof je het vertelt aan de keukentafel. Niet moeilijk gaan denken. Gewoon jij.
Tot slot: blijf dichtbij jezelf
Verhalen zijn geen marketingtruc. Ze zijn een manier om te verbinden. Om te laten zien wie je bent, waar je voor staat en wat je drijft. Op het podium, in een blog, of gewoon tijdens een gesprek met je klant.
Dus of je nu schrijft over een mislukt project, een inspirerende klant of die ene fles wijn die alles veranderde: vertel het. En vertel het op jóuw manier. Dan luisteren mensen niet alleen — ze onthouden het ook nog.
Wil je hulp bij het vinden van jouw verhaal?Dan zit je goed. Ik denk, kijk, vraag en schrijf met je mee. Met een verhaal dat ruikt naar karakter en smaakt naar echtheid.